• Home >
  • Interviews>
  • Dicht bij de mens, daar begint goede zorg- in gesprek met Leo Groenendaal

Dicht bij de mens, daar begint goede zorg- in gesprek met Leo Groenendaal

17 maart 2026 Interview

Na vele jaren als bestuurder bij Zorggroep Zaanstreek gaat Leo Groenendaal met pensioen. Sikko Bakker – G’oud programmamanager – sprak samen met Carlijn van Aalst – coördinator van het Netwerk Dementie & Ouderenpsychiatrie Zaanstreek Waterland – met hem over zijn loopbaan in de zorg. Het is niet gek dat juist deze 2 organisaties met Leo aan tafel zitten voor dit interview. Hij had zitting in het kernbestuur van G’oud en was ook voorzitter van het Netwerk Dementie & Ouderenpsychiatrie.

Het werd een mooi gesprek over bijna vijftig jaar ervaring, waardevolle inzichten en lessen voor de regio en de partners van G’oud.

Wie met Leo Groenendaal spreekt, merkt al snel dat hij veel meer rollen heeft dan alleen die van bestuurder. Hij vervult tal van formele rollen – binnen Zorggroep Zaanstreek, in netwerken rond dementie en welzijn, en in verschillende bestuurlijke en toezichthoudende functies – maar hij benadrukt meteen dat niemand ooit maar één rol heeft en vanuit daar handelt. “Ik ben natuurlijk de bestuurder, maar ook vader, opa, echtgenoot. Mensen zijn altijd meer dan alleen hun functie.”

Die brede blik typeert zijn loopbaan. Leo werkt al bijna vijftig jaar in de zorg en begon letterlijk aan het bed, als verpleegkundige. Daarna volgden opleidingen in de psychiatrische zorg, gezondheidswetenschappen en bedrijfskunde. Toch is hij nooit ver van de praktijk afgedwaald. “Ik zou geen bestuurder willen zijn die op een hoofdkantoor zit, ver weg van het primaire proces. Ik moet voelen wat er speelt, de mensen zien, de sfeer proeven.”

Klein organiseren, dichtbij blijven

Een terugkerend thema in het gesprek is zijn voorkeur voor kleinschaligheid en de mens daarin centraal stellen. Zorggroep Zaanstreek is bewust een relatief kleine organisatie gebleven. Dat heeft nadelen, erkent hij – je kunt niet overal specialist in zijn – maar de voordelen wegen zwaarder. “We zijn wendbaar, plat georganiseerd en dicht bij de wijk. We werken met generalisten die breed kijken en verbinding leggen met het ‘zo normaal mogelijk leven’.”

Die manier van werken sluit volgens Leo beter aan bij de werkelijkheid van zorg en welzijn. Zorg is mensenwerk, zegt hij, en laat zich niet volledig vangen in systemen, formats en verantwoordingsstructuren. “Kwaliteit zit in de ontmoeting tussen zorgverlener en zorgvrager. Het is eigenlijk te gek voor woorden dat er zoveel extra lagen en controles omheen worden gebouwd.”

Als een van de oprichters van het samenwerkingsverband G’oud kijkt Leo terug op een proces van zoeken, leren en pionieren. Wat begon als een initiatief van zorgorganisaties – ingegeven door vergrijzing, personeelstekorten en betaalbaarheid – groeide stap voor stap. “Monique Cremers noemde het ooit alsmaar groter wordende bloemkolen: steeds meer partijen die aanhaakten.”

In het begin lag de nadruk vooral op de regionale visie en het gezamenlijke beleid. Inmiddels zijn er concrete uitvoeringsprogramma’s ontstaan. Toch plaatst Leo daar een kanttekening en mist soms de oorspronkelijke energie en intrinsieke motivatie. “In het begin vertrokken we meer vanuit de leefwereld. Nu zie je de systeemwereld steeds sterker worden, alsof alles maakbaar is. Maar mensen en wijken laten zich niet kopiëren en organiseren vanuit een strak projectplan.”

De inwoners en hun leefwereld als vertrekpunt

Een belangrijke ontwikkeling die hij ziet in de regio en de toekomstige zorg, is de groeiende betrokkenheid van burgers. Waar initiatieven eerst vooral door instituties werden bedacht, ontstaat nu meer ruimte voor de gemeenschap zelf. “De mensen wonen hier. Wij zijn als organisaties uiteindelijk passanten.”

Hij noemt voorbeelden waarin de Zorggroep bewoners en vrijwilligers ondersteunt zonder het over te nemen. Buurthuizen die zelfstandig verder kunnen, vrijwilligers die doen waar ze goed in zijn, terwijl de organisatie helpt met administratie en verantwoording. “Laat in de wijk wat in de wijk hoort, en ondersteun waar nodig.”

Gemengde gemeenschappen in plaats van instituties

Leo is uitgesproken kritisch over hoe de zorg – en met name de ouderenzorg – is georganiseerd. “We selecteren mensen op hun beperking en stoppen ze bij elkaar in een instituut. Daarmee haal je niet het beste in mensen naar boven.” Hij pleit voor gemengde woonvormen, waar verschillende generaties en kwetsbare groepen samenleven. Dat vergroot wederkerigheid en vermindert afhankelijkheid.

De voorbeelden die hij noemt zijn concreet en hoopgevend: jongeren die ouderen helpen, nieuwkomers die samen wandelen met bewoners, mensen die elkaar vanzelfsprekend ondersteunen. “Als je de ruimte geeft, ontstaan menselijke netwerken vanzelf. Daar heb je geen ingewikkelde projecten voor nodig.”

Over technologie is Leo genuanceerd. In ziekenhuizen ziet hij zeker meerwaarde, maar in de ouderenzorg blijft menselijk contact volgens hem onvervangbaar. Technologie kan ondersteunen, comfort vergroten en autonomie verlengen, maar geen zorgrelatie vervangen.

Veel enthousiaster wordt hij als het gesprek over natuur gaat. “Onze mensen kunnen vaak niet meer zelf het bos in, dus halen wij de natuur naar binnen.” Planten, dieren, daktuinen, bijen: het hoort allemaal bij zijn visie op welzijn. Dieren, merkt hij op, voelen vaak feilloos aan wat mensen nodig hebben. “Dat raakt iets diepers dan wij soms kunnen.”

Leren van bijen en verbinden met de natuur

De natuur biedt hem ook metaforen voor organiseren. Een bijenvolk heeft structuur en hiërarchie, maar iedereen draagt bij vanuit zijn rol en levensfase. “Dat is niet hard of kil, dat is functioneel. Het zorgt ervoor dat het geheel in balans blijft.”
Als hij vooruitkijkt, is het antwoord persoonlijker. Hij kijkt ernaar uit om zijn kleinkinderen te zien opgroeien, om actief te blijven, misschien zelfs in een heel andere rol. “Ik blijf graag werken. Misschien haal ik wel een touringcar rijbewijs.”
Tot slot deelt hij zijn levenswijsheid, passend bij alles wat hij eerder heeft gezegd: “Wie het kleine niet leert, doet het grote verkeerd.”

Toen het interview was afgerond, schoof Carlijn nog even met Leo voor de camera om een paar extra vragen te stellen – een mooie aanvulling op het gesprek.